Opsplitsen halve finales was gouden zet

Niemand wil als tweede beginnen op het Eurovisie Songfestival. En dat lijkt logisch; immers twijfelt niemand eraan dat die startplek van negatieve invloed kan zijn op de eindpositie in de finale. Maar hoe zit het met de halve finales? Daarin is de score van ondergeschikt belang, alles wat telt is kwalificatie. ESF Magazine onderzocht de statistieken van tien jaar halve finales om te zien of startplek twee ook daar een vloek met zich meebrengt. • Door: Hendrik Kramer •

Uit het artikel van vorige week bleek dat de tweede startpositie geen garantie geeft op falen. Dit in tegenstelling tot de aloude fabel van ‘de vloek op de tweede startpositie’. Daarom focussen we vandaag in deel twee op het waarom van die fabel, om zo wellicht te verklaren waarom die in de finale wél, maar in de halve finale niet geldig lijkt.

De Zap-theorie

Een van de belangrijkste theoretische verklaringen achter de vloek op de tweede startplaats, is de zogenoemde wegzap-theorie. Het idee hierachter is dat kijkers op basis van het eerste liedje bepalen of ze de rest van de show willen bekijken. Valt het eerste lied tegen, dan zappen veel kijkers weg, om pas later in de show weer terug te komen. Liedjes op startplaats 2 zouden daar nadeel van ondervinden.

De enige manier om deze theorie statistisch te wegen zonder kijkcijferkastjes te gebruiken, is om de resultaten van startplaatsen 1 & 2 per jaar naast elkaar te leggen. Dan blijkt dat in 6 van de 16 gevallen het lied op startplek 1 een top-tien-notering scoorde bij de televoters (positief resultaat). In die 6 gevallen gebeurde het drie keer dat startplek 2 meeging naar de finale, en eveneens drie keer dat startplek 2 alsnog afviel.

Interessanter zijn de tien gevallen waarin startplek 1 volgens de televoter niet finalewaardig was. In deze situatie komt het toch nog 4 keer voor dat startplek 2 zich desondanks plaatst voor de finale. Hard bewijs voor de wegzap-theorie is hier dan ook niet uit af te leiden.

Het Primacy & Recency-effect

Psycholoog Hermann Ebbinghaus (& latere collega’s) leverde de theorie voor een andere verklaring. Deze verklaring gaat ervan uit dat de kijker niet wegzapt, maar de lange lijst liedjes aanhoort en op het eind zijn keuze maakt. Naast smaak en kwaliteit is dan ook geheugen van belang: immers, op een lied dat je niet onthouden hebt, ga je ook niet stemmen.

De theorie van Primacy & Recency stelt dat mensen geneigd zijn aan het begin van een lijst goed op te letten; deze informatie wordt daardoor het best opgeslagen. Ook de laatste informatie wordt goed onthouden, want die zit nog ‘vers in het geheugen’. Op het Songfestival zou dit betekenen dat liedjes direct na het begin, tot ergens aan het midden, een nadeel ondervinden van hun startpositie. Startplek 2 zou daarvan het beste voorbeeld zijn.

Om deze theorie te testen is een grootscheepse aanpak vereist. Het is niet langer voldoende om te tellen hoe vaak vanaf startplek 2 behaald werd: alle startplekken moeten op een rijtje worden gezet. Daarna kun je de behaalde resultaten vergelijken met de statistische kans om vanaf die plek de finale te halen.

In totaal deden er 314 liedjes mee aan 16 halve finales, en 160 daarvan haalden de finale. Gemiddeld genomen is de kwalificatiekans dus een fractie boven de 50%. Specifieker kun je berekenen dat de kans voor startplekken 1 t/m 16 ruim 52% was. Als je doorgaat naar startplekken 17 t/m 19 dan daalt de kans snel naar rond de 49%. Startplekken 20 t/m 22 hebben ruim 41% kans en vanaf startplek 23 gaat het rap bergafwaarts naar uiteindelijk ruim 35% kans voor een land met startplaats 28. Dit omdat de hoge startposities alleen zijn voorgekomen in halve finales met meer deelnemers, waar de kans uiteraard statistisch gezien kleiner was om de finale te halen.

Leg bovengenoemde percentages naast de daadwerkelijke resultaten en de uitschieters vallen direct op. Vanaf startplek 1 bijvoorbeeld werd zeven keer de finale gehaald – een fractie lager dan het beoogde percentage van 52%. Startplek 2 doet het met acht finaleplekken zelfs nog net ietsjes beter. De grote klappers komen pas daarna: startplekken 3 t/m 5 scoren gezamenlijk slechts veertien successen, terwijl ze statistisch gezien ongeveer vijfentwintig finalisten voort hadden moeten brengen. Startplek 3 is met drie finaleplaatsen uit zestien pogingen de absolute hekkensluiter.

Deze cijfers halen de Primacy-theorie niet onderuit; het lijkt er alleen op dat startplaats 2 er ook van meeprofiteert en dat pas daarna de malaise begint. Het Recency-effect start overduidelijk vanaf startplek 13. Tot en met plek 12 scoren alle startplaatsen gemiddelde resultaten, maar vanaf plek 13 schieten de resultaten omhoog naar twaalf, soms zelfs dertien successen uit zestien pogingen. Koploper is startplek 18 met een score van tien uit twaalf.

(De precieze berekeningen achter deze statistiek zijn op aanvraag beschikbaar. Vanwege de overzichtelijkheid van dit artikel hebben we ervoor gekozen alleen de highlights te benoemen.)

Maatregelen

Als de cijfers dan aanduiden dat de startvolgorde van invloed kan zijn op de finalekansen, moet de organisatie dan niet iets doen om de ongelukkige startplaatsen te beschermen? Jazeker. Sterker nog, de EBU heeft de afgelopen jaren al geëxperimenteerd met maatregelen die de situatie zouden kunnen verbeteren. In het vervolg van dit artikel bekijken we of die maatregelen hun doel hebben bereikt.

De eerste maatregel kwam in 2008. De EBU voerde toen de dubbele halve finale in. Dit zorgde er niet alleen voor dat het aantal rechtstreekse finalisten werd verminderd, maar ook dat er voortaan minder landen aan een halve finale meededen. In relatie tot het Recency-effect houdt dit in dat de lijst minder lang wordt, en dus relatief gezien méér landen vers in het geheugen van de televoter blijven.

Twee jaar later werd het systeem opnieuw aangepast. De vakjury, die in de voorgaande jaren één wildcard had mogen uitdelen, kreeg nu 50% inspraak in de einduitslag. Ook dit houdt direct verband met de startvolgorde. Immers worden juryleden geacht nooit weg te zappen of de aandacht te laten verslappen; juryleden maken notities, beoordelen op kwaliteit en zouden immuun moeten zijn voor de volgorde waarin de deelnemers optreden.

Onderstaande tabel geeft de resultaten van startplek 2 weer, gesorteerd op de verschillende systemen die de EBU in de voorbije tien jaar heeft gehanteerd:

Finale WEL gehaald (7)

Finale NIET gehaald (9)

Jaar

Land

Lied

Eindstand in semi

Jaar

Land

Lied

Eindstand in semi

Eén halve finale

2004

Wit-Rusland

My Galileo

19/22

2005

Litouwen

Little by Little

25/25

2006

Bulgarije

Let me cry

17/23

2007

Israël

Teapacks

24/28

Wildcard

2008 (1)

Israël

The fire in your eyes

5/19

2008 (2)

Zweden

Hero

12/19 (WC)

2009 (1)

Tsjechië

Aven Romale

18/18

2009 (2)

Ierland

Et cetera

11/19

Jury

2010 (1)

Rusland

Lost and Forgotten

7/17

2011 (1)

Noorwegen

Habba Habba

17/19

2010 (2)

Armenië

Apricot Stone

6/17

2013 (2)

San Marino

Crisalide(Vola)

11/17

2011 (2)

Oostenrijk

The Secret is Love

7/19

2012 (1)

IJsland

Never Forget

8/18

2012 (2)

VJR Macedonië

Crno i belo

9/18

2013 (1)

Estland

Et uus saaks alguse

10/16

De gegevens uit bovenstaande tabel liegen er niet om. In de jaren met maar één halve finale was startplaats 2 (en overigens ook startplaats 3) geen enkele keer succesvol. Na het invoeren van het duale systeem met jurywildcards was het direct raak: Israël haalde de finale en dankzij de wildcard lukte het ook Zweden (in tabel rechts weergegeven ivm televotingresultaat).

Sinds de vakjury 50% inspraak heeft is het hek al helemaal van de dam. Zes van de acht inzendingen vanaf startplaats twee kwalificeerden zich voor de finale, een bovengemiddeld goede score van 75%. Je zou bijna zeggen dat in het nieuwe systeem de tweede startplaats een zegen is, in plaats van een vloek. Missie geslaagd voor de EBU, zou je zeggen.

Televoting

Toch mag er nog één kritische noot bij deze jurytriomf worden geplaatst. Immers, waren het wel de vakjuries die de arme stakkers van startplaats 2 de finale inhielpen? Of hadden deze liedjes het op basis van 100% televoting ook gered?

In 2010 geldt dat Armenië de vakjuries niet per se nodig had gehad, en dat Rusland met Peter Nalitch zelfs beter af geweest zou zijn zonder juries. In 2011 wordt het nog bonter: Noorwegen had toen met Habba Habba de finale gehaald als het aan de televoters gelegen had! Over de kwalificatie van Oostenrijk waren beide juries het dat jaar eens.

In 2012 haalde het IJslandse ‘Never forget’ dankzij televoters de finale (11e bij juries), terwijl de resultaten van Macedonië (Kaliopi) bij beide juries voldoende waren voor een finaleplek. Afgelopen jaar, 2013, vormt het enige voorbeeld waarbij de vakjury een lied vanaf startplek twee redde: Estland (Birgit Oigemeel). In de andere halve finale echter stak de jury een stokje voor de kwalificatie van San Marino.

Het lijkt onlogisch om op basis van deze casuïstiek te concluderen dat ook vakjuries gevoelig zijn voor startposities. Eerder is het omgekeerde waar: televoters kunnen prima door de optreedvolgorde heen kijken, en maken hun keuze ‘gewoon’ op basis van kwaliteit. In het nieuwe systeem met twee kleinere halve finales althans. De uitslagen van de massale halve finales tussen 2004 en 2007 wijzen nog steeds in de richting van een flink Recency-effect. Het is dus maar goed dat de EBU van dat systeem is afgestapt. Daardoor heeft ook de calimero van het Songfestival, de tweede startplaats, nu een kans om de finale te halen. En da’s wél eerlijk.

(Afgelopen jaar experimenteerde de EBU tevens met een gestuurde startvolgorde, waar geen loting aan te pas kwam. Op het moment van schrijven is er nog te weinig cijfermateriaal beschikbaar om de invloed van dit experiment te meten. In dit artikel wordt dan ook bewust geen melding van deze maatregel gemaakt.)


3 Comments


  1. // Reply

    Sorry dat ik het moet zeggen Hendrik.

    Wat betreft San Marino wat je zegt klopt niet. De jury had namelijk San Marino wel in de top 10 maar de televoters op plek 12.


  2. // Reply

    Ik geloof helemaal niets van de zaptheorie, die gaat ervan uit dat wegzappers altijd ij nummer 1 binnenvallen, maar volgens mij is juist de karakteristiek van zappers dat ze ook halverwege kunnen binnenvallen. zappers zijn sowieso minder toegewijde kijkers, dus waarom zouden die uberhaupt gaan stemmen? Die zappen eerder weg zodra de liedjes voorbij zijn.

    De geheugentheorie vindt ik wel een goede verklaring, want het effect van startpositie versus eindklassering heeft naarmate het deelnemersveld toeneemt een steeds duidelijker effect.


    1. // Reply

      De cijfers geven je gelijk, Hebbuzz! 😉 ik ben wel benieuwd of je over een paar jaar iets zou kunne zeggen over de nieuwe startvolgorde..

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *